Soft and warm alpaca wool clothing❤️ 2 days DHL delivery + Free shipping How to buy: ⬇️⬇️⬇️ Online WWW.INCADREAM.NL

woensdag 9 juni 2010

MACHU PICCHU – GESCHIEDENIS

Hiram Bingham, ontdekkingsreiziger en professor Zuid-Amerikaanse Geschiedenis, trok in februari 1909 (de natste maand van het jaar, wat zijn reis bemoeilijkte) als eerste de Peruviaanse bergen over. Zijn bezoek aan Choquequirao wakkerde zijn interesse in de Inca’s aan. In 1911 keerde hij met de Yale Peruviaanse Expeditie terug – met de eigenlijke bedoeling om de Urubamba-rivier en ongeving te bezoeken. Hij zou echter de verloren stad van de Inca’s herontdekken. Bingham bestudeerde verslagen van de Spaanse Verovering en koloniale documenten met de intentie om precies te weten waar hij naartoe moest gaan. Hij had ook gehoord van de mysterieuze verloren stad in het oerwoud, maar niemand in Cusco nam nota van zijn opmerkingen daarover, want men dacht dat de verloren stad van de Inca’s Choquequirao was. De expeditie vertrok en volgde de loop van de Urubamba-rivier, onderweg verscheidene ruïnes verkennend. Op 23 juli 1911 arriveerde Bingham in Mandor, waar hij de boer Melcho Arteaga ontmoette. Deze vertelde Bingham over het bestaan van twee Incaplaatsen, Machu Picchu en Wayna Picchu. Arteaga werd benoemd als gids en toen hij vertelde dat de groep naar de bergtop zou gaan, verzonnen Binghams collega’s uiteenlopende excuses om niet mee te hoeven. Daarom klom Bingham slechts in gezelschap van Arteaga en sergeant Carrasco (die als vertaler van de Quechua-sprekende gids functioneerde) naar boven. Eerst stak men de snel stromende Urubamba-rivier over en daarna ging het door de dikke oerwoudvegetatie aan de andere kant, soms kruipend, en zichzelf soms slechts met de vingertoppen vasthoudend. Na de lunch, zo’n 600 meter boven de rivier, kwamen ze een hut tegen, en enkele boeren die de terrassen van Machu Picchu bewerkten. Na een pauze wilde Bingham verder klimmen, maar Arteaga besloot om met de boeren te blijven praten en zond een kind als gids. Terwijl Bingham en sergeant Carrasco verder klommen, konden ze meer terrassen onderscheiden, maar wat ze het meest verraste was een serie van mooi afgewerkte Incamuren, door dikke vegetatie overwoekerd. Het kind leidde Bingham door bos en bamboe naar een grote gegraven grot, en tenslotte naar wat volgens Bingham ‘de Koninklijke Tombe’ moest zijn. Bingham keerde naar zijn land terug, en nam het nieuws over de stad Machu Picchu met zich mee. Zijn ontdekking was wereldnieuws en trok vooral de aandacht van de universiteit van Yale en de National Geographic Society. Beide instituten besloten Bingham in zijn ontdekkingstochten naar de ruïnes in 1912 en 1915 bij te staan. Het verraste Bingham en zijn team dat ze maar weinig graftomben in Machu Picchu vonden. Hij meldde: ‘Een nauwkeurige telling van skeletten en botten die we in de verschillende grotten en graftomben hebben gevonden lijken de overblijfselen van 173 individuen, en van die 173, zijn er wellicht 150 van vrouwen, een buitengewoon hoog percentage, op zijn minst moet dit een gewijde plek zijn geweest, wiens bewoners bestonden uit Gekozen Vrouwen van de Zon.’ De rest van de mensen die aan Machu Picchu verbonden waren, waren bedienden, boeren en soldaten, die op plekken buiten de stad begraven werden. Dit verklaarde voor Bingham de afwezigheid van meer overblijfselen. Bingham voegde eraan toe dat ze geen gouden of zilveren objecten hadden gevonden, maar wel objecten van brons en andere metalen, evenals van hout, steen en botten. In totaal noemde Bingham 521 geïdentificeerde keramieke en 220 metalen objecten. Er heerst enige controverse over wat Bingham en zijn expedities daadwerkelijk uit Peru meenamen, met verschillende tegenstrijdige aantallen en berichten. Het officiele Peruviaanse regeringsrapport uit 1916 meldde dat men 74 dozen vol botten, mummies, keramiek, textiel, metaal en houten objecten meenam, maar er werden geen gouden of zilveren kunstwerken geregistreerd. Ondanks dat, bleef er veel twijfel bestaan, vanwege de grootsheid van de Incastad, en het belang ervan voor de adel. Alle studies waren het erover eens dat het onmogelijk was geen voorwerpen van edelmetaal te vinden in Machu Picchu. Dat wil zeggen: deze verloren stad van de Inca’s, die niet was geplunderd en in geen 400 jaar door de Spanjaarden was bezocht, zou een aantal schitterende, ceremoniële en vorstelijke sierraden van goud en zilver moeten bevatten. De Peruviaanse regering en de universiteit van Yale zijn in gesprek over de teruggave van de genoemde materialen, die in het Archeologische museum in Machu Picchu zouden moeten terechtkomen.

Kleding bij de inca's

Kleding en textiel was zeer belangrijk voor de Inca. Het was volgens sommigen zelfs belangrijker dan goud en zilver. De inca droegen verschillende soorten kledingstukken. We weten vooral veel over de kleding die gedragen werd door de heersers (de Inka). De gewone bevolking (de runa) droeg waarschijnlijk gelijkaardige kledingstukken maar dan in andere kleuren en wat eenvoudiger. Het belangrijkste onderdeel van de kleding was de unku (zie hieronder) en de ceintuur die daarop gedragen werd. Daarnaast droegen de meeste mensen ook een ceintuur om de unku heen, en sommige mensen van hogere rangen mochten sandalen dragen. Deze laatste werden vervaardigd uit leer. Om de schouder droeg vrijwel iedereen een zakje waar coca in hing. Dit zijn de zogenaamde chuspas. Een unku is een rechthoekig kledingstuk dat aan de zijkanten is dichtgenaaid. De tuniek was de traditionele kleding van de Inca. Het is dit hemd zonder mouwen,dat aan de hedendaagse ponchos ten grondslag ligt. Ponchos werden echter in de Inca tijd weinig gebruikt. De kleding van handwerkslieden en boeren had dezelfde vorm, maar de versiering van hun kleding moest eenvoudig zijn. Ambtenaren en hoogwaardigheidsbekleders hadden recht op het gebruik van motieven. Het gebruik van de beroemde zwart en witte dambordtunieken was slechts toegestaan aan militairen. De unkus van de adel en van de familie van de Inca werden gemaakt van vicuña wol, en versierd met de beroemde tocapu symbolen. De kleding van de Inca vorst werd speciaal voor hem geweven door de zogeheten mamacunas, vrouwen die de zon en inca familie dienden en zich bezig hielden met het weven van de kleding van de Inca. Hij droeg zijn kledingstukken slechts één keer en aangezien het voor elk ander verboden was de kledingstukken van de Inca vorst aan te raken, werd zijn kleding na gebruik dagelijks verbrand. De heersers en hoogwaardigheidbekleders droegen ook hoofdtooien en hoeden. Deze werden of uit textiel gemaakt of vervaardigd op een geraamte van gevlochten plantaardige vezels, en bevatten oook vaak veren en pluimen die afkomstig waren uit tropische gebieden. De chuspa tas vormt een belangrijk onderdeel van de Inca klederdracht. Het is een kleine tas voor het bewaren van cocabladeren en amuletten. De tas wordt tot op de dag van vandaag gebruikt in de Andes landen. Vrouwen droegen een omslagdoek en een rok. De omslagdoek werd met een tupu bevestigd. De tupu is een kledingspeld, gebruikt om de omslagdoek (aqsu) die vrouwen droegen, vast te zetten. Ze werden enkel of in een paar gebruikt en waren er in bijna alle maten en metaalsoorten. De tupu werd aan de kust veel minder gebruikt dan in de hooglanden. Dit is verklaarbaar uit het koudere klimaat van de hooglanden, waar een omslagdoek nodig was om warm te blijven. Inheemse vrouwen in de Andes dragen nog steeds tupus, hoewel het gebruik terugloopt. Meestal had een vrouw een paar voor dagelijks gebruik (tegenwoordig vaak vervangen door bijvoorbeeld een veiligheidsspeld) en een paar voor feestelijke gelegenheden. Bij hedendaagse Andesvrouwen zijn dat vaak zilveren, lepelvormige tupus die met een kleine ketting aan elkaar bevestigd zijn. Ze zijn vaak al meerdere generaties in gebruik. De kleding van het volk werd in huiselijke kring geweven. Een gewone burger bezat over het algemeen niet veel meer dan één outfit die voor dagelijks gebruik bedoeld was en één die dienst deed gedurende feestelijke bijeenkomsten. Kleding werd op die manier gebruikt om onderscheid in stand en rang aan te geven. Des te hoger de sociale rang, des te groter de kwaliteit en kwantiteit kledingstukken een individu over beschikte. Elke provincie werd geacht een bepaald aantal kledingstukken als tribuut te betalen. Daartegenover stond dat de staat erop toezag dat de benodigde grondstoffen voor spinnen en weven voorhanden waren zodat elke burger genoeg wol en katoen had voor eigen gebruik

Andean Textiles

Andean weaving was among the arts practiced in colonial Latin America that retained the closest connection to Precolumbian traditions. The flocks of alpacas and other camelids that had yielded tapestry cloth of a beauty astonishing to the Spanish newcomers continued to anchor life among the Aymara and Quechua peoples. The gradual incorporation of European motifs into their garments did not alter the centrality of textiles to the value system of these indigenous communities. Source: Andean Textiles | Thematic Essay | Heilbrunn Timeline of Art History | The Metropolitan Museum of Art Ancient Peruvian garments were untailored. Of rectangular shape, this spectacular textile in brilliant red, dark blue, green, and white, woven in one piece, could have been a woman's dress (anacu) or a shoulder mantle (lliclla). As a dress, it would have been folded over along the foldline visible in the upper half of the panel, wrapped around the body, and pinned at the shoulders. In addition, a belt would have been worn around the waist to support the weight of the densely woven fabric. As a mantle or shawl, it would have been worn folded or as a single layer around the shoulders, held in place with one pin at the chest. The textile is thought to have come from the Chuquibamba area in the far south of Peru, a region where highland and coastal traditions merge. Woven entirely of camelid fiber, the strong, saturated colors and the rectilinear pattern emphasizing geometric regularity and horizontality are typical of Inka taste. The intricate, interlocked bird designs in the small units, however, and the diagonal banded layout in the central panel correspond more to coastal styles. Source: Woman's Dress [Chuquibamba] (1995.109) | Heilbrunn Timeline of Art History | The Metropolitan Museum of Art

dinsdag 8 juni 2010

Nazcalijnen

In de woestijn, beneden hun dorpen op de berghellingen, creëerden de Nasca's hun meest illustere nalatenschap: een reeks figuren in de droge aardbodem. Deze "geëtste" figuren bevinden zich grotendeels in de pampa, een uitgestrekte boomloze vlakte, tussen de rivieren Nazca en Ingenio. Deze geogliefen - ook wel Nascalijnen genoemd - maken deel uit van de berg- en waterverering. Enkele figuren zijn uit de natuur overgenomen: reusachtige afbeeldingen van kolibries, walvissen en spinnen. De meeste van deze 300 geogliefen zijn grote geometrische figuren: spiralen, rechthoeken, trapezoïden en concentrische stralingssystemen. Ze zijn allemaal op dezelfde manier tot stand gekomen. Eerst werd de bovenste laag van de aardkorst weggegraven en de heldere bodem daaronder blootgelegd. Nadien werd het fijngemaakte donkere gesteente naast de zo ontstane greppels opeengehoopt. De Nascalijnen blijven voor archeologen een raadsel. Duiden ze op rituele paden, die heilige plaatsen met elkaar verbinden? Stellen ze sterrenbeelden voor of dienden ze als ontwateringsmiddel? Misschien maken ze wel deel uit van een immense astronomische kalender, die het begin van de regentijd aankondigde. De meningen van deskundigen lopen sterk uiteen. Vele patronen van de "gegraveerde" figuren vinden we ook in de polychrome keramiek en textiel van de Nasca's terug. Vogels, hagedissen, walvissen en andere dieren zijn onderwerpen die vaak terugkomen. Ook vruchtbaarheidssymbolen komen dikwijls aan bod. Zij weerspiegelen de zorgen die de bevolking zich maakte om de bewerking van het regenarme land. Vanaf 200 v.Chr. vestigen de Nascastammen zich in de rivierdalen langs de woestijnstrook in het zuiden van Peru. Ze ontwikkelden er een oasecultuur. De Nasca's bouwden huizen uit samengebonden riet, dat ze met leem besmeerden. Ze dreven handel, leefden van visvangst en jacht en teelden in de droge kuststreek talrijke fruit-en groentecultures. Wanneer de Nasca-invloed zijn hoogtepunt bereikte, domineerde hij een gebied dat verder dan 350 kilometer noordwaarts en zuidwaarts reikte. In de oostelijke richting strekte de Nascabeschaving zich uit over een domein vanaf de kust tot in het hoogland. Van bij het begin werd de Nascacultuur gekarakteriseerd door de barre levensomstandigheden. De Nascalandbouwers - die hun verblijf hadden in een landstreek waren het zelden regende - waren sterk aangewezen op de watervoorziening. Ze vereerden het water en ook de bergen vanwaar het water kwam. Er bestond een nauwe band tussen het geloof en de cultuur van de Nasca's, bovendien vormde het geloof de bouwstenen van hun kunst. Veel heeft de Nascabevolking niet gebouwd. Om water te winnen uit de rivieren, die tijdens een deel van het jaar ondergronds stroomden, bouwden ze aquaducten. Het grondwater werd dan via deze bruggen naar reservoirs en bevloeiingskanalen geleid. De twintig meter hoge trappenpiramide, de grote tempel van hun ceremonieel centrum, Cahuachi, is een van de weinig bewaarde Nascabouwwerken.

zondag 6 juni 2010

Peruaanse Altaarstuk

Altaarstuk of Retablos are a sophisticated Andean folk art in the form of portable boxes which depict religious, historical, or everyday events that are important to the Indigenous people of the highlands of Peru and Bolivia. The Spanish word retablo comes from the Latin retro-tabulum (“behind the table or altar”), which was later shortened to retabulum. This is a reference to the fact that the first retablos were placed on or behind the altars of Catholic churches in Spain and Latin America. They were three-dimensional statues or images inside a decorated frame. The tradition of making cajones sanmarcos or retablos is very strong in the mountainous Peruvian region around the city of Ayacucho. In recent years the political violence and the fighting between the Peruvian Army and the Marxist Sendero Luminoso (“Shining Path”) guerrillas around Ayacucho has forced many peasant families in the area to migrate to the capital city of Lima, where they make and sell their crafts commercially. Nicario Jiménez Quispe (Quispe is his mother’s name) is a master artisan of the craft of making retablos. He was born in 1957 in a small highland Andean village near Ayacucho, and learned how to make retablos from his father and other skilled craftsmen. He has studied at the University of San Marcos in Lima, and has exhibited his retablos in Peru and abroad in several international competitions. His photo was taken while doing a demonstration at American University’s Language and Foreign Studies Department in 1991.

woensdag 2 juni 2010

Tumi

The Tumi is a sacrificial ceremonial knife distinctly characterised by a semi-circular blade, made of either bronze, copper, gold-alloy, wood, or silver alloy used by some Inca and pre-Inca cultures in the Peruvian Coastal Region. In Andean mythology, the Moche, Chimu and Incas were descendants of the Sun, which had to be worshipped annually with an extravagant celebration. The festival took place at the end of the potato and maize harvest in order to thank the Sun for the abundant crops or to ask for better crops during the next season. During this important religious ceremony, the High Priest would sacrifice a completely black or white llama. Using a tumi, he would open the animal's chest and with his hands pull out its throbbing heart, lungs and viscera, so that observing those elements he could foretell the future. Later, the animal and its parts were completely incinerated. Other Andean cultures have used the tumi for the neurological procedure of skull trepanation. Many of these operations were carefully performed, suggesting that the surgery was done for the relief of some body disturbance other than that associated with injury, perhaps an organic or mental condition. On November 21, 2006, archaeologists announced that they had unearthed 22 graves in northern Peru containing pre-Inca artifacts. Among the artifacts were the first tumi ever discovered by archaeologists. All previous examples had been recovered from grave looters.[1] In Peru, to hang a tumi on a wall means good luck. The tumi is the national symbol of Peru and has become a symbol used in Peruvian tourism publicity.